De laatste ronde sneeuw  is nu gevallen en onmiddellijk daarna trad de dooi keihard in. Het is één glibberige kledderboel, overal. Ik heb de klok geluid bij het verlaten van de baan, zo zijn de regels nu eenmaal, en meteen een spurt naar huis genomen. Slalommend tussen de sneeuwlawines door, die in het dorp vanaf de dakranden vallen.

Ik zit nu behaaglijk bij de centrale verwarming en kijk buur Schneemann in z’n vissenogen.

Zijn wereld staat op zijn kop en uit zijn blik spreekt een diepgeworteld verlangen naar het voorjaar; de paaitijd. Als hij weer vrijuit kan zwemmen met zijn soortgenoten tussen frisgekleurde waterplanten in zonovergoten vennetjes en kleine dartele sprongetjes uit het water kan maken, om indruk op de vrouwen te maken.

Tjonge….

Hoe lang houdt hij hier nog stand?